Betekenis van:
pak

pak (het ~ | meervoud pakken)
Zelfstandig naamwoord
  • houder voor al dan niet vloeibare inhoud; verpakking met inhoud
"een pak [melk/koekjes/suiker]"
"een pak naar het postkantoor brengen"

Synoniemen

Hyperoniemen

pak (het ~ | meervoud pakken)
Zelfstandig naamwoord
  • kostuum
"een pak dragen"
"een pak laten maken"

Hyperoniemen

pak
Zelfstandig naamwoord
  • verpakt voorwerp
"Er kwam met Kerst een groot pak met de post."
pak
Zelfstandig naamwoord
  • een ruime hoeveelheid van iets
"Er viel een groot pak sneeuw."
pak
Zelfstandig naamwoord
  • een kledingcombinatie bestaande uit tenminste een jasje en een broek of rok
"Hij kocht voor de gelegenheid een nieuw pak."
pak
Zelfstandig naamwoord
  • een groep wolven
"Een pak wolven had het voorzien op een kudde schapen."
pak (het ~ | meervoud pakken)
Zelfstandig naamwoord
  • klein pak dat per post verzonden wordt
"een pak geld"
"één pak zenuwen zijn"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

pak (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • grote groep wielrenners of hardlopers; peloton wielrenners
"al bij de eerste col werden de vroege vluchters weer door het pak opgeslokt/ingelopen"
"bij het binnenrijden van Bastenaken zaten alle favorieten nog in het pak"

Synoniemen

Hyperoniemen

pak (het ~ | meervoud pakken)
Zelfstandig naamwoord
  • grote hoeveelheid
"een pak sneeuw"
"iemand een pak slaag/rammel geven"

Synoniemen

Hyperoniemen

pak
Zelfstandig naamwoord
  • Iemand die wordt ingehuurd om bagage te dragen

Synoniemen

Werkwoord