Betekenis van:
boel

boel (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • de zaken, de dingen
"de boel de boel laten"
"de boel afbreken"

Hyperoniemen

boel
Zelfstandig naamwoord
  • een verzameling van zaken
"Doordat ze zo ontzettend veel gedronken hadden, begonnen ze de hele boel af te breken."
boel
Zelfstandig naamwoord
  • de gang van zaken
"Doe geen zaken met hem, hij probeert altijd de boel te belazeren!"
boel
Zelfstandig naamwoord
  • een grote hoeveelheid
"Zo, er ligt weer een boel werk op ons te wachten."
boel (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • grote hoeveelheid
"een boel [snoep/mensen]"
"een boel geleerd hebben"

Synoniemen

Hyperoniemen

boel
Zelfstandig naamwoord
  • een weg die toegang verschaft tot een woning of ander gebouw.

Synoniemen