Betekenis van:
natuur

natuur (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • niet door de mens gewijzigde omgeving of omstandigheden
"de vrije natuur"
"moeder Natuur"

Synoniemen

Hyperoniemen

natuur (de ~ | meervoud naturen)
Zelfstandig naamwoord
  • innerlijke gesteldheid van iem.
"van nature"
"de natuur is sterker dan de leer"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

natuur
Zelfstandig naamwoord
  • de oorspronkelijke, onaangeroerde verschijningsvorm van alles wat zich op, in en rond de Aarde bevindt; derhalve min of meer synoniem aan "schepping" of "wildernis". Dit staat dan tegenover cultuur, technologie, beschaving: hetgeen duidt op alles, wat de
natuur
Zelfstandig naamwoord
  • Datgene, wat de mens als natuur ziet, dus ook al is het door hemzelf als zodanig ingericht. Oftewel de oorspronkelijke wildernis en elke natuurgetrouwe nabootsing hiervan. Derhalve ook bijvoorbeeld bossen die, ookal lijken ze op de oorspronkelijke oerboss
natuur
Zelfstandig naamwoord
  • de natuur, zoals die bestudeerd en beschreven wordt door de natuurwetenschappen zoals de natuurkunde en de biologie, te vergelijken met het begrip heelal, universum of kosmos, meestal beschouwd als gezien vanuit het standpunt van een mens op de Aarde
natuur
Zelfstandig naamwoord
  • de aard van iets of iemand; het karakter of de essentie
natuur
Zelfstandig naamwoord
  • teelvocht; mannelijk zaad en geslachtsorgaan