Betekenis van:
wild

wild
Bijvoeglijk naamwoord
  • van wild of ongecontroleerd karakter

Synoniemen

wild
Bijvoeglijk naamwoord
  • niet gekweekt
"wilde planten/bloemen"
"wilde konijnen"

Hyperoniemen

wild
Bijvoeglijk naamwoord
  • onherbergzaam; ruig; wild; onbeheerst
"een wilde rivier"
"wild om zich heen kijken/slaan"

Synoniemen

wild
Bijvoeglijk naamwoord
  • dol; stapel; dol op; dol; verzot; gek (op); zeer gesteld op; zeer vol zijn van; met een zeer sterke geslachtsdrift
"ergens wild op zijn"

Synoniemen

wild
Bijvoeglijk naamwoord
  • niet tam
wild
Bijvoeglijk naamwoord
  • onbeschaafd, bruusk
wild (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • de in het wild levende dieren waarop men jaagt
"overstekend wild"
"klein wild"

Hyperoniemen

wild (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • niet door de mens gewijzigde omgeving of omstandigheden
"in het wild"
"die dieren leven daar in het wild"

Synoniemen

Hyperoniemen

wild
Zelfstandig naamwoord
  • dieren die niet onder menselijke beheersing zijn opgegroeid
wild
Zelfstandig naamwoord
  • vlees van een wild dier