Betekenis van:
tuk

tuk
Zelfstandig naamwoord
  • een korte periode van slaap
"Ik zou wel even een tukje willen doen."
tuk
Zelfstandig naamwoord
  • ''Twente'': broekzak
tuk
Zelfstandig naamwoord
  • korte of lichte slaap

Synoniemen

Hyperoniemen

tuk
Bijvoeglijk naamwoord
  • ''~ zijn op'' iets graag hebben
"Hij was niet zo tuk op dat soort dingen."
tuk
Bijvoeglijk naamwoord
  • ''iemand ~ hebben'' iemand een grappige streek geleverd hebben
"De leerlingen hadden me goed tuk vandaag."
tuk
Bijvoeglijk naamwoord
  • dol; stapel; dol op; dol; verzot; gek (op); zeer gesteld op; zeer vol zijn van; met een zeer sterke geslachtsdrift
"tuk op iets zijn"
"iemand tuk nemen, hebben"

Synoniemen

Werkwoord