Betekenis van:
dol

dol
Bijvoeglijk naamwoord
  • wild door hondsdolheid
"Het was een dol plan, maar het was wel erg gezellig."
dol
Bijvoeglijk naamwoord
  • (v.e. schroef) doordraaiend
"die schroef is dol"

Hyperoniemen

dol
Bijvoeglijk naamwoord
  • lijdend aan hondsdolheid; van dieren
"een dolle hond"

Synoniemen

Hyperoniemen

dol
Bijvoeglijk naamwoord
  • grappig, amusant
"dolle pret"

Synoniemen

Hyperoniemen

dol
Bijvoeglijk naamwoord
  • dol; stapel; dol op; dol; verzot; gek (op); zeer gesteld op; zeer vol zijn van; met een zeer sterke geslachtsdrift
"dol op [haring/zwemmen/Amsterdam/Pavarotti]"

Synoniemen

dol
Bijvoeglijk naamwoord
  • op luidruchtige manier vrolijk
"niets is [hem] te dol"
"Dolle Mina"

Synoniemen

dol
Bijvoeglijk naamwoord
  • onzinnig.
dol
Bijvoeglijk naamwoord
  • gek.
dol
Bijvoeglijk naamwoord
  • (van schroefdraad) zonder grip.
dol
Zelfstandig naamwoord
  • pin op een rad of schijf waarmee een beweging overgebracht wordt

Hyperoniemen

dol (de ~ | meervoud dollen)
Zelfstandig naamwoord
  • draaipunt voor roeiriemen aan het boord van een boot

Synoniemen

Hyperoniemen

dol
Zelfstandig naamwoord
  • een metalen pin waarop een roeispaan kan draaien
dol
Zelfstandig naamwoord
  • een U-vormig steunpunt waarin een roeispaan rust

Werkwoord