Betekenis van:
slaap

slaap (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • rusttoestand van mensen
"uit de slaap houden"
"een slaapje doen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

slaap (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • opgedroogde afscheiding v.d. ogen
"zich de slaap uit de ogen wrijven"

Hyperoniemen

slaap (de ~ | meervoud slapen)
Zelfstandig naamwoord
  • elk v.d. zijvlakken v.h. hoofd
"hij wordt al grijs bij de slapen"

Hyperoniemen

slaap (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • behoefte aan nachtrust
"over je slaap heen zijn"
"slaap krijgen"

Hyperoniemen

slaap
Zelfstandig naamwoord
  • periode van inactiviteit waarbij het lichaam tot rust komt
"Jan snurkt in zijn slaap."
slaap
Zelfstandig naamwoord
  • behoefte aan slaap
"Ik heb zo'n slaap."
slaap
Zelfstandig naamwoord
  • zijvlak van het hoofd tussen oog en oor
"De loop van het pistool raakte zijn slaap."
slaap
Zelfstandig naamwoord
  • tot korstjes opdrogende afscheiding aan de oogleden
"Wanneer ik wakker word heb ik steeds slaap in mijn ogen."
slaap (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • rusttoestand van planten

Hyperoniemen

Werkwoord