Betekenis van:
slapen

slapen
Werkwoord
  • (van ledematen) tintelen
"mijn arm slaapt"

Hyperoniemen

Hyponiemen

slapen
Werkwoord
  • pitten; op de souffleur spelen; in slaap zijn; slapen; niet actief; pitten
"een slapende bankrekening"

Hyperoniemen

Hyponiemen

slapen
Werkwoord
  • in toestand verkeren waarbij de ademhaling dieper en trager verloopt, en de hartslag trager, en er minder energie wordt gebruikt
"Zij slapen goed de laatste tijd."
slaap (de ~ | meervoud slapen)
Zelfstandig naamwoord
  • elk v.d. zijvlakken v.h. hoofd
"hij wordt al grijs bij de slapen"

Hyperoniemen

Werkwoord