Betekenis van:
tuigen

tuigen
Werkwoord
  • eruitzien
"Hy hadt een kort gesneden pruikje op, dat niet onäartig tuigde, met een groot, breet, vry vurig aangezicht ["
tuigen
Werkwoord
  • een zeilschip een bepaald tuigage geven,
"Tientallen jaren voer het schip vracht op de motor, totdat een liefhebber het schip kocht en het weer tuigde als zeilschip."
tuigen
Werkwoord
  • getuigen
"Hij leefde in u, hij wou niets anders zijn
Dan de onlichaamlijk-stoffelooze geest
Die door hand en penseel tuigde van u."
tuigen
Werkwoord
  • geschikt zijn voor arbeid in een tuig van een paard
"[.. in de herfst werd er op Wychen - Hedel - of Gorcummarkt een „grasperd" gekocht, dat in de loop van winter en lente ,,aangeleerd" en na een of twee jaar, indien het goed tuigde en voor „vierkant eerlijk" kon worden meegegeven, met een flinke winst verkocht werd. ."
tuigen
Werkwoord
  • een dier inspannen in een tuig
"Dat paard wordt getuigd."
tuigen
Werkwoord
  • de tuigage in orde brengen

Synoniemen

Hyperoniemen

tuig (het ~ | meervoud tuigen)
Zelfstandig naamwoord
  • gereedschap gebruikt bij het vissen; snoeren v.e. vishengel; visnetten

Synoniemen

Hyperoniemen

tuig (het ~ | meervoud tuigen)
Zelfstandig naamwoord
  • stelsel van riemen om dier te leiden
"het paard het tuig aandoen/afdoen"

Hyperoniemen

Werkwoord