Betekenis van:
voorzien

voorzien
Bijvoeglijk naamwoord
  • hebbend
"een goed voorziene keuken"
"voorzien van airconditioning"
voorzien
Werkwoord
  • zorgen voor
"in [je levensonderhoud] voorzien"
"daar voorzien de regels niet in"

Hyperoniemen

voorzien
Werkwoord
  • verschaffen
"[een kamer] van [centrale verwarming] voorzien"
"vluchtelingen van voedsel voorzien"

Hyperoniemen

Hyponiemen

voorzien
Werkwoord
  • een profetische blik hebben
"Hij voorzag dat dit tot ongelukken zou leiden."
voorzien
Werkwoord
  • ~ van: voorzorgen treffen
"U bent voorzien van alle nodige spullen."