Betekenis van:
geneesheer

geneesheer
Zelfstandig naamwoord
  • arts; dokter
"De Orde van geneesheren is een Belgische beroepsvereniging van artsen."
geneesheer (de ~ | meervoud geneesheren)
Zelfstandig naamwoord
  • geneeskundige die bevoegd is praktijk uit te oefenen
"de orde van geneesheren"
"de adviserende/behandelende/controlerende geneesheer"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen