Betekenis van:
pil

pil (de ~ | meervoud pillen)
Zelfstandig naamwoord
  • dik boek; dik boek
"een dikke pil"
"een pil van een [roman]"

Synoniemen

Hyperoniemen

pil (de ~ | meervoud pillen)
Zelfstandig naamwoord
  • één dosis v.e. geneesmiddel
"een bittere pil (te slikken krijgen)"
"de pil vergulden"

Hyperoniemen

pil (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • pil tegen zwangerschap; anticonceptiepil
"aan de pil zijn"
"ze is gestopt met de pil"

Synoniemen

Hyperoniemen

pil
Zelfstandig naamwoord
  • bolletje in sommige soorten textiel

Hyperoniemen

pil (de ~ | meervoud pillen)
Zelfstandig naamwoord
  • hard schot; trap of schot; zeer hard schot

Synoniemen

Hyperoniemen

pil
Zelfstandig naamwoord
  • gepileerd zaadje

Hyperoniemen

pil
Zelfstandig naamwoord
  • '''pil''' de ~; bepaald oraal voorbehoedmiddel, anticonceptiepil
pil
Zelfstandig naamwoord
  • '''pil''' de ~; dik boek: ''een pil van ruim 400 bladzijden''
pil (de ~ | meervoud pillen)
Zelfstandig naamwoord
  • geneeskundige die bevoegd is praktijk uit te oefenen

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen