Betekenis van:
honger

honger
Zelfstandig naamwoord
  • behoefte aan voedsel
"Hij had honger gekregen van al dat sneeuwruimen."
honger
Zelfstandig naamwoord
  • levensbedreigend tekort aan voedsel
"De honger die volgde op de misoogst was verschrikkelijk."
honger
Zelfstandig naamwoord
  • behoefte aan voedsel
"Hij had honger gekregen van al dat sneeuwruimen."
honger
Zelfstandig naamwoord
  • levensbedreigend tekort aan voedsel
"De honger die volgde op de misoogst was verschrikkelijk."
honger (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • sterk verlangen naar iets
"honger naar [geld]"
"honger naar de bal hebben"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

honger
Zelfstandig naamwoord
  • toestand van voedselgebrek; nijpend gebrek aan voedsel in een gehele landstreek

Synoniemen

Hyperoniemen

honger
Spreekwoord
  • '''Honger''' is de beste saus.
honger
Spreekwoord
  • ''Als je grote honger hebt, smaakt alles veel lekkerder.''
honger
Spreekwoord
  • '''Honger''' is de beste saus.
honger
Spreekwoord
  • ''Als je grote honger hebt, smaakt alles veel lekkerder.''

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Ik heb honger.
  2. Ik heb honger.
  3. Ik heb ontzettende honger.
  4. Heeft u honger?
  5. Ik heb altijd honger.
  6. We hebben honger.
  7. Ik had veel honger.
  8. Honger is de beste saus.
  9. Ik heb nog steeds honger.
  10. Ik heb een beetje honger.
  11. Ik heb nu geen honger.
  12. Ik eet vruchten omdat ik honger heb.
  13. Ik ga dood van de honger!
  14. Ik neem aan dat je honger hebt.
  15. Als je honger hebt, smaakt alles goed.