Betekenis van:
hotel
hotel (het ~ | meervoud hotels)
Zelfstandig naamwoord
- plaats om betaald te overnachten
"in een hotel logeren/overnachten"
"een duur/goedkoop hotel"
Hyperoniemen
Hyponiemen
hotel
Zelfstandig naamwoord
- een plaats waar mensen kunnen overnachten tegen betaling
hotel
Zelfstandig naamwoord
- spelwoord van het ITU/NAVO-spellingalfabet voor de letter h
hotel
Zelfstandig naamwoord
- een plaats waar mensen kunnen overnachten tegen betaling
hotel
Zelfstandig naamwoord
- spelwoord van het ITU/NAVO-spellingalfabet voor de letter h
Voorbeeldzinnen
- Zitten we in hetzelfde hotel?
- Het is niet ver van het hotel.
- Vroeger was hier ergens een hotel.
- Ik wil naar een hotel toe gaan.
- Hoe ver is het van het vliegveld naar het hotel?
- Hier wordt volgend jaar een nieuw hotel gebouwd.
- Hij verbleef de afgelopen vijf dagen in dat hotel.
- Het was donker toen ik het hotel bereikte.
- Dit hotel heeft een sportzaal en een zwembad.
- Jammer genoeg is het hotel dat je aanbevolen had compleet volgeboekt.
- Een groot deel van de volgende dag bleef hij in het hotel en sprak met vrienden en supporters.
- Maximum hotel
- hotel- en restaurantdiensten;
- of Hotel KRISTAL, Jahorina
- Bouwen van hotel