Betekenis van:
jongetje

jongetje
Zelfstandig naamwoord
  • kind of jeugdige man; jongen; (informeel) man; jongen; kind van het mannelijk geslacht; jongen; jongeman; jongen

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen


Voorbeeldzinnen

  1. Het jongetje draagt een bril.
  2. Het jongetje heeft niet veel speelkameraadjes.
  3. De hond viel het jongetje aan.
  4. Dat jongetje lijkt op zijn vader.
  5. Het stoute jongetje verdwaalde en keek om zich heen.
  6. Ken je dat jongetje dat aan het huilen is?
  7. Ze zagen het jongetje weggedragen worden naar het ziekenhuis.
  8. Dat is het jongetje, dat ik gisteren heb gezien.
  9. Het jongetje lag in zijn bed te slapen.