Betekenis van:
katoen

katoen (de/het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • uit katoendraden geweven stof
"geef hem van katoen"

Hyperoniemen

katoen
Zelfstandig naamwoord
  • uit katoen gesponnen draad of garen

Hyperoniemen

katoen (de/het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • pluizig zaad v.d. katoenplant

Hyperoniemen

Hyponiemen

katoen
Zelfstandig naamwoord
  • een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
katoen
Zelfstandig naamwoord
  • plant die de katoen levert

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Katoen neemt water op.
  2. Katoen neemt water op.
  3. Deze bloes is van katoen.
  4. Katoen
  5. katoen
  6. katoen,
  7. KATOEN
  8. Katoen
  9. 52 Katoen
  10. katoen 1,01
  11. van katoen
  12. van katoen
  13. Weefsels van katoen:
  14. Katoen, elastolefine of melamine
  15. Naaigarens van katoen, n.o.v.k.