Betekenis van:
kim

kim
Zelfstandig naamwoord
  • de horizon: de lijn waarboven, bij vrij uitzicht zoals op zee, de hemellichamen zichtbaar zijn
"Een nieuwe dag begint wanneer de zon boven de kim verschijnt."
kim
Zelfstandig naamwoord
  • de schuin naar binnengerichte boven- of onderrand van een vat of ton
"Door kappen en schaven maakt de kuiper de kimmen aan het vat."
kim
Zelfstandig naamwoord
  • de rand van een scheepsromp die de overgang vormt van de bodem naar de boorden of, bij ronde rompvormen, het overgangsgebied van bodem naar de boorden
"Het drooggevallen zeiljacht lag met de kiel en kim in de modder."
kim
Zelfstandig naamwoord
  • de horizon: de lijn waarboven, bij vrij uitzicht zoals op zee, de hemellichamen zichtbaar zijn
"Een nieuwe dag begint wanneer de zon boven de kim verschijnt."
kim
Zelfstandig naamwoord
  • de schuin naar binnengerichte boven- of onderrand van een vat of ton
"Door kappen en schaven maakt de kuiper de kimmen aan het vat."
kim
Zelfstandig naamwoord
  • de rand van een scheepsromp die de overgang vormt van de bodem naar de boorden of, bij ronde rompvormen, het overgangsgebied van bodem naar de boorden
"Het drooggevallen zeiljacht lag met de kiel en kim in de modder."
kim (de ~ | meervoud kimmen)
Zelfstandig naamwoord
  • lijn waar hemel en aarde elkaar schijnen te raken
"aan de kim"

Synoniemen

Hyperoniemen