Betekenis van:
kras

kras (de ~ | meervoud krassen)
Zelfstandig naamwoord
  • langgerekte streep als beschadiging
"krassen oplopen"
"een diepe kras"

Hyperoniemen

kras
Zelfstandig naamwoord
  • langgerekte oppervlaktebeschadiging veroorzaakt door het bewegen van een scherpe punt over een voorwerp
"Leg iets onder je schrijfwerk, anders krijg je krassen op tafel!"
kras (de ~ | meervoud krassen)
Zelfstandig naamwoord
  • krassend geluid
"een kras horen [op een grammofoonplaat]"

Synoniemen

Hyperoniemen

kras
Bijvoeglijk naamwoord
  • krachtig
"krasse maatregelen"
"in krasse tegenspraak staan met"

Hyperoniemen

kras
Bijvoeglijk naamwoord
  • nog sterk voor zijn jaren
"Hij is een krasse ouwe baas."
kras
Bijvoeglijk naamwoord
  • opzienbarend, meest in een onaangename zin van dat woord
"Dit is een krasse tegenstelling."
kras
Bijvoeglijk naamwoord
  • kracht en lust tot leven bezittend
"een krasse oude baas"
"zich kras houden"

Synoniemen

Hyperoniemen

kras
Bijvoeglijk naamwoord
  • grote verwondering wekkend
"een kras verhaal"
"dat verhaal lijkt me al te kras"

Synoniemen

Hyperoniemen

kras (de ~ | meervoud krassen)
Werkwoord
  • beweging met een scherp voorwerp over een ander
"krassen oplopen"
"krassen geven"

Hyperoniemen

Werkwoord