Betekenis van:
haal

haal (de ~ | meervoud halen)
Zelfstandig naamwoord
  • keer dat je haalt; ruk
"met een flinke haal sneed Tijs het net open"
"met iets aan de haal gaan"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

haal (de ~ | meervoud halen)
Zelfstandig naamwoord
  • getrokken lijn
"met lange halen schrijven"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

haal
Zelfstandig naamwoord
  • een heftige beweging met de gehele arm of poot
"De kat gaf hem een haal in zijn gezicht."
haal
Zelfstandig naamwoord
  • een onbeheerste streep met potlood of pen
"De leraar zette een grote haal door de spelfout."
haal (de ~ | meervoud halen)
Zelfstandig naamwoord
  • toegebrachte slag
"iemand een haal geven"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

haal
Zelfstandig naamwoord
  • het kort zuigen aan een sigaret; trek aan een sigaar, pijp of sigaret
"een haal nemen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord