Betekenis van:
kriel
kriel (de ~ | meervoud krielen)
Zelfstandig naamwoord
- klein iemand; iets of iemand van klein formaat; klein aardappel; klein iemand; klein iemand; klein kind; klein iemand; opdondertje; mager persoon
Synoniemen
- onderkruiper
- kleintje
- krielhaan
- onderdeur
- onderdeurtje
- onderkruipsel
- opdonder
- opdondertje
- ukkepuk
- garnaal
- krielkip
Hyperoniemen
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Wanneer de partijen voor meer dan 50 % uit kriel bestaan, wordt een onderlinge regeling getroffen en komen die partijen niet voor de premie in aanmerking.