Betekenis van:
kuit

kuit (de ~ | meervoud kuiten)
Zelfstandig naamwoord
  • dik vlezig gedeelte aan de achterkant van het onderbeen
"de kuiten nemen"
"stevige kuiten"

Hyperoniemen

kuit
Zelfstandig naamwoord
  • wijder gedeelte van een kous om de kuit

Hyperoniemen

kuit
Zelfstandig naamwoord
  • achterzijde van het been tussen knie en enkel
kuit
Zelfstandig naamwoord
  • visseneitjes

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Kuit, gezouten of gepekeld
  2. levers, hom en kuit
  3. Hom en kuit
  4. Kuit, vers, gekoeld of bevroren
  5. Vissenlevers, hom en kuit, bevroren
  6. Visfilets, vissenlevers, hom en kuit
  7. andere vis, met uitzondering van levers, hom en kuit
  8. Alle: omvat kuit bestemd voor uitbroeden, en dode dieren.
  9. zalmachtigen (Salmonidae), met uitzondering van levers, hom en kuit
  10. andere zalmachtigen (Salmonidae), met uitzondering van levers, hom en kuit
  11. de enkel bedekkend, maar beneden de kuit, met een binnenzoollengte
  12. Onbevruchte, dode, verwerkte eieren van alle soorten Acipenseriformes; ook kuit genoemd
  13. kuit en hom, bestemd voor de vervaardiging van desoxyribonucleïnezuur of protaminesulfaat [11]
  14. Vismeel, vissenlevers, hom en kuit (gedroogd, gerookt, gezouten), geschikt voor menselijke consumptie
  15. zwaardvis (Xiphias gladius) en Antarctische diepzeeheek (Dissostichus spp.), met uitzondering van levers, hom en kuit