Betekenis van:
kurk

kurk (de ~ | meervoud kurken)
Zelfstandig naamwoord
  • conisch gesneden stop om flessen af te sluiten
"een visnet met kurken"
"de kurk waarop iets drijft"

Hyperoniemen

kurk (de/het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • eikenschors
"kurk als vloerbedekking hebben"
"zo droog als kurk"

Hyperoniemen

kurk
Zelfstandig naamwoord
  • een van kurk gemaakte soort afdichting voor flessen
"Door de late goal moesten de kurken nog even op de fles blijven."

Werkwoord