Betekenis van:
kussen

kussen
Zelfstandig naamwoord
  • een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
"Hij slaapt altijd met twee kussens."
kus (de ~ | meervoud kussen)
Zelfstandig naamwoord
  • zoen; klapzoen; zoen; aanraking met de lippen
"een vluchtige kus"
"een kusje stelen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

kussen
Werkwoord
  • een kus geven
"Na het uitspreken van het jawoord mocht hij de bruid kussen."
kussen
Werkwoord
  • kussen; zoenen; zoenen
"iemand op de mond/wangen kussen"
"kussen dat het klapt"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Niet opnieuw! Zie hoe die twee elkaar kussen. Ze staan echt in vuur en in vlam voor elkaar. Ik kan dit niet langer aanzien.
  2. KUSSEN