Betekenis van:
kussen
kussen
Zelfstandig naamwoord
- een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
"Hij slaapt altijd met twee kussens."
kussen
Werkwoord
- een kus geven
"Na het uitspreken van het jawoord mocht hij de bruid kussen."
kussen
Werkwoord
- kussen; zoenen; zoenen
"iemand op de mond/wangen kussen"
"kussen dat het klapt"
Synoniemen
Hyperoniemen
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Niet opnieuw! Zie hoe die twee elkaar kussen. Ze staan echt in vuur en in vlam voor elkaar. Ik kan dit niet langer aanzien.
- KUSSEN