Betekenis van:
kussen

kussen
Zelfstandig naamwoord
  • een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
"Hij slaapt altijd met twee kussens."
kus (de ~ | meervoud kussen)
Zelfstandig naamwoord
  • zoen; klapzoen; zoen; aanraking met de lippen
"een vluchtige kus"
"een kusje stelen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

kussen
Werkwoord
  • een kus geven
"Na het uitspreken van het jawoord mocht hij de bruid kussen."
kussen
Werkwoord
  • kussen; zoenen; zoenen
"iemand op de mond/wangen kussen"
"kussen dat het klapt"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord