Betekenis van:
lepel

lepel (de ~ | meervoud lepels)
Zelfstandig naamwoord
  • eet-, tafel- en keukengereedschap om vloeibare stoffen naar de mond te brengen, op te scheppen of om te roeren
"een lepel [honing]"
"[ieder uur] een lepel innemen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

lepel
Zelfstandig naamwoord
  • hoeveelheid die een lepel kan bevatten
"een lepel honing"

Hyperoniemen

lepel
Zelfstandig naamwoord
  • elk van de helften van een verlostang

Hyperoniemen

lepel
Zelfstandig naamwoord
  • ''(eetgerei)'' een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
lepel
Zelfstandig naamwoord
  • een hoeveelheid die overeenkomt met de inhoud van een (thee- of eet)lepel
lepel
Zelfstandig naamwoord
  • een oor van een konijn of van een haas
lepel
Zelfstandig naamwoord
  • onderdeel van een hoofdstel bij tuigpaarden

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Mijn lepel is te groot!
  2. De juiste plaatswijze van een bestek is de vork aan de linkerzijde van het bord en het mes aan de rechterzijde alsook de lepel.
  3. Meng het complete gehakte monster met behulp van een schone grote plastic lepel. Let er hierbij op dat alle uitgelopen druppels weer worden opgenomen.
  4. Breng de helft van de gedecanteerde verontreinigingen met een lepel of spatel over in een petrischaaltje of op een objectglaasje voor microscopische identificatie van eventuele dierlijke bestanddelen (vleesdeeltjes, veren, botfragmenten enz.).