Betekenis van:
los

los
Bijvoeglijk naamwoord
  • niet stevig vastzittend
"uit de losse hand"
"uit de losse pols"
los
Bijvoeglijk naamwoord
  • zonder vaste verbinding
"De hond is los."
los
Bijvoeglijk naamwoord
  • vrij in het uiten van zijn gemoed
"een losse tong hebben"
"los in de mond zijn"

Synoniemen

los
Bijvoeglijk naamwoord
  • los van de rest, op zichzelf staand
"de losse verkoop"
"losse nummers"

Synoniemen

los (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • lynx

Hyperoniemen

los
Zelfstandig naamwoord
  • een kattensoort met een korte staart

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. De hel brak los.
  2. Laat het touw los.
  3. Laat me los!
  4. Ik liet het touw los.
  5. Laat het touw niet los.
  6. Ze liet de hand van de jongen los.
  7. ... Hé, hé jullie twee, gaan alle hekken los als je weet dat ik trakteer?
  8. Ik zei haar het touw niet los te laten, maar dat deed ze wel.
  9. Hij schopte zijn schoenen uit zonder eerst de veters los te maken.
  10. LOS
  11. Los:
  12. LOS
  13. Los materiaal
  14. Zit los.
  15. De ankerplaat zit los