Betekenis van:
frank

frank (de ~ | meervoud franken, franks)
Zelfstandig naamwoord
  • bepaalde munteenheid
"niet op een frank kijken"
"zijn frank valt/is gevallen"

Hyperoniemen

frank
Zelfstandig naamwoord
  • een munteenheid die onder andere in Burundi, Congo, Djibouti, Guinee, Rwanda en Zwitserland gebruikt wordt
"Ah, nu valt mijn frankske!"
frank
Bijvoeglijk naamwoord
  • stoutmoedig.
"Frank en vrij."
frank
Bijvoeglijk naamwoord
  • vrij in het uiten van zijn gemoed
"frank en vrij"

Synoniemen

frank
Bijvoeglijk naamwoord
  • vrijpostig; ongedwongen; brutaal; brutaal; brutaal; vrijpostig; niet bescheiden
"iemand frank de waarheid zeggen"

Synoniemen

Hyperoniemen