Betekenis van:
majesteit

majesteit
Zelfstandig naamwoord
  • een vorst of vorstin waaraan als titel [1] wordt toegedicht
"Beide majesteiten namen plaats op hun zetels en daarmee begon de plechtigheid."
majesteit
Zelfstandig naamwoord
  • glorieuze verhevenheid
"En daar zetelt hij in majesteit."
majesteit (de ~ | meervoud majesteiten)
Zelfstandig naamwoord
  • heerser over een land; titel v.d. vorst(in)
"zijne/hare majesteit"

Synoniemen

Hyperoniemen

majesteit
Tussenwerpsel
  • aanspreektitel van een koning of koningin
"Wij zijn zeer verheugd u te kunnen begroeten, majesteit!"

Voorbeeldzinnen

  1. HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN DENEMARKEN,
  2. ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN SPANJE,