Betekenis van:
motor

motor (de ~ | meervoud motoren, motors)
Zelfstandig naamwoord
  • deel v.e. apparaat dat kracht levert
"melk, de witte motor"
"de motor afzetten"

Hyperoniemen

Hyponiemen

motor
Zelfstandig naamwoord
  • krachtbron die met behulp van een energiebron een werktuig, machine of vervoermidddel aandrijft
"Deze motor loopt op elektriciteit."
motor
Zelfstandig naamwoord
  • een verkorting van "motorfiets", het gemotoriseerd voertuig op twee of drie wielen
"Hij heeft net een nieuwe motor gekocht, een Harley."
motor
Zelfstandig naamwoord
  • in figuurlijke zin: iemand die wordt beschouwd als de drijvende kracht van een bedrijf, onderneming e.d.
"Hij is de motor van de ons bedrijf, zonder hem waren we al lang failliet gegaan."
motor
Zelfstandig naamwoord
  • krachtbron die met behulp van een energiebron een werktuig, machine of vervoermidddel aandrijft
"Deze motor loopt op elektriciteit."
motor
Zelfstandig naamwoord
  • een verkorting van "motorfiets", het gemotoriseerd voertuig op twee of drie wielen
"Hij heeft net een nieuwe motor gekocht, een Harley."
motor
Zelfstandig naamwoord
  • in figuurlijke zin: iemand die wordt beschouwd als de drijvende kracht van een bedrijf, onderneming e.d.
"Hij is de motor van de ons bedrijf, zonder hem waren we al lang failliet gegaan."
motor (de ~ | meervoud motoren, motors)
Zelfstandig naamwoord
  • iem. die inspiratie geeft
"de motor zijn achter iets"

Synoniemen

Hyperoniemen

motor (de ~ | meervoud motoren, motors)
Zelfstandig naamwoord
  • fietsachtig vervoermiddel met motor; motorfiets
"de motor afzetten"
"de motor starten/aanzetten"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord