Betekenis van:
output

output (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • resultaat v.e. (productie)proces; uitkomst v.e. (rekenkundig) proces
"output krijgen/verkrijgen"
"weinig/onvoldoende output"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen


Voorbeeldzinnen

  1. Bruto-output van de raffinaderijen
  2. Totale efficiëntie = (energie-output)/(brandstof-input)
  3. Bij de OUTPUT (namelijk op basis van het eindproduct)
  4. Symmetrische input-outputtabel voor de binnenlandse output tegen basisprijzen, vijfjaarlijks
  5. CCS-capaciteitsdrempelwaarden worden uitgedrukt als bruto elektrische output voor afvang.
  6. informatiebladen waarin de uitgangssituatie-, output-, resultaat- en impactindicatoren worden beschreven.
  7. LIJST VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE UITGANGSSITUATIE-, OUTPUT-, RESULTAAT- EN IMPACTINDICATOREN
  8. De positieve output gap van 2,1 % van het potentiële BBP in 2001 zou zijn omgeslagen in een negatieve output gap van 1,3 % van het potentiële BBP in 2004.
  9. Symmetrische input-outputtabel voor de binnenlandse output tegen basisprijzen, P60 × P60, vijfjaarlijks
  10. In het ESR 1995 worden de output en dus ook de toegevoegde waarde gewaardeerd in basisprijzen.
  11. fysieke (bijvoorbeeld systemen waarmee interactie bestaat) en functionele (input en output) interfaces;
  12. Door deze capaciteitsuitbreiding nam de bezettingsgraad in de beoordelingsperiode in grotere mate af dan de output.
  13. de verhoging van de output van producten met een hogere toegevoegde waarde en verwerkte producten;
  14. Hieronder wordt verstaan: waargenomen inzet van raffinaderijen – bruto output van raffinaderijen.
  15. De output van bovenbedoelde bedrijven vormt samen de productie in de Gemeenschap.