Betekenis van:
uitvoer

uitvoer (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • uitgevoerde goederen
"De uitvoer van Saoedi-Arabië bestaat voornamelijk uit ruwe aardolie."

Hyperoniemen

uitvoer
Zelfstandig naamwoord
  • de verkoop van goederen aan het buitenland
"De uitvoer van Duitse goederen was door de lage euro flink gestegen."
uitvoer
Zelfstandig naamwoord
  • het verwerkelijken van iets
"Daarmee was het overbodig geworden het plan ten uitvoer te brengen."
uitvoer
Zelfstandig naamwoord
  • naar buiten gebrachte informatie vanuit een applicatie
"De uitvoer is in drie exportformaten (PDF, Excel en ASCII) beschikbaar."
uitvoer
Zelfstandig naamwoord
  • een leiding die een vloeistof of gas naar buiten leidt
"De uitvoer van het afwaswater zat verstopt, wat tot een kleine overstroming leidde."
uitvoer (de ~ | meervoud uitvoeren)
Zelfstandig naamwoord
  • resultaat v.e. (productie)proces; uitkomst v.e. (rekenkundig) proces
"Stuur vervolgens de uitvoer van het commando naar een bestand."

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

uitvoer (de ~)
Werkwoord
  • uitvoer naar het buitenland; verkoop naar het buitenland
"invoer en uitvoer"
"de uitvoer naar [landen buiten de Europese Unie]"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen


Voorbeeldzinnen

  1. De invoer was groter dan de uitvoer vorig jaar.
  2. Uitvoer
  3. uitvoer;
  4. Uitvoer
  5. uitvoer;
  6. Uitvoer:
  7. uitvoer
  8. uitvoer”:
  9. Uitvoer
  10. UITVOER”.
  11. UITVOER
  12. UITVOER
  13. TOTALE UITVOER
  14. Uitvoer 1994
  15. fysieke uitvoer