Betekenis van:
praat

praat (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • het gebruiken van de taal, dat wat als taal geuit wordt, de spreek- of schrijftaal
"rare praat"
"een motor aan de praat krijgen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Je praat teveel.
  2. Meg praat veel.
  3. Praat niet zo tegen hem.
  4. Je praat alsof je de baas bent.
  5. Tom kreeg zijn auto niet aan de praat.
  6. He praat zo hard dat hij ons in de problemen gaat brengen.