Betekenis van:
schenkel

schenkel (de ~ | meervoud schenkels)
Zelfstandig naamwoord
  • deel v.h. been onder de knie; deel v.e. poot
"schenkel voor in de soep"

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Uitsnijden en uitbenen: Van bovenbil en schenkel lossnijden langs de natuurlijke naad; dijbeen verwijderen. Opmaak: Dik kraakbeen aan het beengewricht verwijderen.
  2. Uitsnijden en uitbenen: Het achterste kniegewricht doorsnijden en lossnijden van bovenbil en platte bil door de natuurlijke naad te volgen; daarbij het peeseind aan de schenkel laten vastzitten; de beenderen (scheenbeen en spronggewricht) verwijderen.
  3. Uitsnijden en uitbenen: Lossnijden van de platte bil en de schenkel langs de natuurlijke naad en losmaken van het dijbeen; het staartbeen verwijderen. Opmaak: Zakeind met zenen en scrotum verwijderen.