Betekenis van:
schok

schok (de ~ | meervoud schokken)
Zelfstandig naamwoord
  • door een werkende kracht plotseling opgewekte tegenkracht
"met een schok"
"een elektrische schok"

Hyperoniemen

schok
Zelfstandig naamwoord
  • een plotsklapse en hevige beweging
"Deze schok werd veroorzaakt door het verschuiven van twee tektonische platen."
schok
Zelfstandig naamwoord
  • een gebeurtenis die iemand hevig van de wijs brengt
"Haar dood was een schok voor velen."
schok
Zelfstandig naamwoord
  • een blootstelling aan een elektrische potentiaal
"Pas op, krijg geen schok van dat losse contact!"
schok (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • rampzalige ervaring, zwaar verlies
"een schok teweeg brengen"
"een schok van [herkenning]"

Synoniemen

Hyperoniemen

schok
Zelfstandig naamwoord
  • uitwerking van een elektrische ontlading of stroom op het organisme

Hyperoniemen

Werkwoord