Betekenis van:
steiger
steiger
Zelfstandig naamwoord
- een gewoonlijk houten constructie die het water insteekt en waaraan een boot kan afmeren
"Het jacht ligt nu veilig aan de steiger afgemeerd."
steiger (de ~ | meervoud steigers)
Zelfstandig naamwoord
- constructie langs een oever als aanlegplaats
"op de steiger staan"
"aan de steiger [liggen]"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
steiger
Zelfstandig naamwoord
- een tijdelijke constructie van palen en werkplateaus die bouwvakkers een werkvloer verschaffen bij bouw- en onderhoudswerk
"Met een bouwlift brengt men de bouwmaterialen op de steiger."
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Steiger - Willroder Forst - Werningslebener Wald
- Steiger-, bekistings- en stutmateriaal, van ijzer of van staal
- De stabiliteit van de steiger moet verzekerd zijn.
- het veilig opbouwen, afbreken of ombouwen van de betreffende steiger;
- De afmetingen, de vorm en de ligging van de vloeren van een steiger moeten aan de aard van de te verrichten werkzaamheden en aan de te dragen lasten worden aangepast en zodanig zijn dat er veilig verkeer kan plaatsvinden en veilig kan worden gewerkt.
- NB: De waarden voor de herhaalbaarheid en de reproduceerbaarheid zijn afgeleid uit de resultaten van een ringonderzoek (zie Steiger, G., Bulletin of IDF nr. 285/1993, blz. 21-28), dat is uitgevoerd overeenkomstig IDF-norm 135B:1991: Melk en melkproducten — Precisie van analysemethoden — Schets van een procedure voor een ringonderzoek