Betekenis van:
taalvaardigheid
taalvaardigheid (de ~)
Zelfstandig naamwoord
- vaardigheid in taalgebruik; vaardigheid in taalgebruik
"(studeren/les/onderwijs) in taalvaardigheid"
"mondelinge/schriftelijke taalvaardigheid"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
taalvaardigheid
Zelfstandig naamwoord
- de vaardigheid van een vlot gebruik van de taal
Voorbeeldzinnen
- Hun taalvaardigheid moet beantwoorden aan de beoordelingsschaal in bijlage III.
- Het voor de toepassing van de leden 1 en 2 vereiste niveau is niveau 4 van de beoordelingsschaal voor de taalvaardigheid die in bijlage III is opgenomen.
- de bevoegdverklaringen, de aantekeningen bij de bevoegdverklaringen, de aantekeningen betreffende de taalvaardigheid, de aantekeningen betreffende de instructiebevoegdheid, en de aantekeningen betreffende de luchtverkeersleidingsdienst;
- De vergunning wordt geldig gemaakt door de opneming van één of meer bevoegdverklaringen en de relevante aantekeningen bij de bevoegdverklaringen, de luchtverkeersdienst en de taalvaardigheid waarvoor de opleiding met succes is afgerond.
- De cursussen vallen uiteen in de volgende subthema’s: Roemeense taal voor buitenlandse werknemers; leiderschapsvaardigheden voor toezichthouders/voorlieden; kennis van Outlook en basisvaardigheden op het gebied van IT; Engelse taalvaardigheid voor autochtone arbeidskrachten; taal- en rekenvaardigheden; basisvaardigheden op het gebied van leiderschap voor werknemers op alle niveaus; uitgebreide IT-opleiding; persoonlijke intensieve opleiding voor geselecteerde „rolmodel”-werknemers.
- Onverminderd lid 3 mogen de lidstaten voor de toepassing van de leden 1 en/of 2 niveau 5 van de in bijlage III opgenomen beoordelingsschaal voor de taalvaardigheid eisen wanneer de operationele omstandigheden van de betrokken bevoegdverklaring of aantekening om dwingende veiligheidsredenen een hoger niveau rechtvaardigen.