Betekenis van:
tekort

tekort
Zelfstandig naamwoord
  • een ontbrekende hoeveelheid
"Er heerste een groot tekort aan graan."
tekort (het ~ | meervoud tekorten)
Zelfstandig naamwoord
  • onvoldoende aanwezigheid; het niet bezitten van iets; ontbrekende hoeveelheid
"een tekort aan [voedingsmiddelen/manschappen/moed]"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

tekort
Zelfstandig naamwoord
  • moreel slechte hoedanigheid

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Cu-tekort
  2. Mg-tekort
  3. Fe-tekort
  4. N-tekort
  5. Boekhoudkundig tekort
  6. Tekort aan munten [3]
  7. Tekort aan munten
  8. Tekort (–) of overschot (+) van deelstaatoverheid
  9. Tekort aan PET op de EG-markt
  10. Tekort (–) of overschot (+) van wettelijke socialeverzekeringsinstellingen
  11. De categorie tekort (–) of overschot (+) [1A.9] is gelijk aan tekort (–) of overschot (+) [1A.1].
  12. betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Frankrijk
  13. Ook indien ernstig tekort wordt geschoten, worden sancties opgelegd.
  14. betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Slovenië
  15. betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in België