Betekenis van:
tekort
tekort
Zelfstandig naamwoord
- een ontbrekende hoeveelheid
"Er heerste een groot tekort aan graan."
tekort (het ~ | meervoud tekorten)
Zelfstandig naamwoord
- onvoldoende aanwezigheid; het niet bezitten van iets; ontbrekende hoeveelheid
"een tekort aan [voedingsmiddelen/manschappen/moed]"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
tekort
Zelfstandig naamwoord
- moreel slechte hoedanigheid
Synoniemen
Hyperoniemen
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Cu-tekort
- Mg-tekort
- Fe-tekort
- N-tekort
- Boekhoudkundig tekort
- Tekort aan munten [3]
- Tekort aan munten
- Tekort (–) of overschot (+) van deelstaatoverheid
- Tekort aan PET op de EG-markt
- Tekort (–) of overschot (+) van wettelijke socialeverzekeringsinstellingen
- De categorie tekort (–) of overschot (+) [1A.9] is gelijk aan tekort (–) of overschot (+) [1A.1].
- betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Frankrijk
- Ook indien ernstig tekort wordt geschoten, worden sancties opgelegd.
- betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Slovenië
- betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in België