Betekenis van:
tik

tik (de ~ | meervoud tikken)
Zelfstandig naamwoord
  • tik van een kostenteller
"De student schreef na het telefoontje de tikken op de telefoonlijst."

Hyperoniemen

tik
Zelfstandig naamwoord
  • een korte niet al te harde klap of schop
"Hij gaf een tikje tegen het venster."
tik
Zelfstandig naamwoord
  • het korte maar energieke geluid van zo'n klap of schop
"Je moet mijn fiets eens nakijken, ik hoor steeds een tik."
tik (de ~ | meervoud tikken)
Zelfstandig naamwoord
  • scheutje sterke drank ergens bij; scheutje sterke drank
"een cola-tik"

Synoniemen

Hyperoniemen

tik (de ~ | meervoud tikken)
Zelfstandig naamwoord
  • mep; klap; harde klap; lichte klap
"een tik in de plaat"
"ergens een tik van meekrijgen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord