Betekenis van:
trouw

trouw (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • het zich aan beloften houden; trouwheid aan iemand
"trouw aan [iets/iemand]"
"zijn trouw breken"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

trouw
Bijvoeglijk naamwoord
  • loyaal; trouw; trouw
"trouwe vrienden"
"trouw je plicht vervullen"

Synoniemen

Hyperoniemen

trouw
Bijvoeglijk naamwoord
  • op wie men steeds opnieuw een beroep kan doen
"Hij is een trouwe werknemer voor zijn baas."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Altijd trouw
  2. De vertaling is trouw aan het originele.
  3. Trouw moet worden onderhouden
  4. De naam van een vriend is gewoon, maar zeldzaam is trouw.
  5. Goede trouw en misbruik van rechten
  6. Wat het element te goeder trouw betreft, kunnen de begunstigden niet betogen dat zij te goeder trouw handelden zonder legitieme verwachtingen dat zij de steun zouden krijgen.
  7. Derden die te goeder trouw handelen, dienen zich op deze vertalingen te kunnen beroepen.
  8. de aanvrager bij indiening van de aanvrage te kwader trouw was.
  9. Een andere voorwaarde is dat de rechten van partijen of derden te goeder trouw geëerbiedigd worden.
  10. Volgens openbare informatie, zoals bijvoorbeeld artikelen in de dagbladen Het Parool (7.7.2006) en Trouw (13.10.2006).
  11. Voorts bleek dat de ondernemingen hun traditionele handelspatronen met individuele afnemers in de EU10 over het algemeen trouw bleven.
  12. De Commissie laat zich niet uit over de goede trouw, of anderszins, van de autoriteiten van Gibraltar.
  13. De partijen overwegen te goeder trouw het voorstel van de verzoeningscommissie voor de regeling van het geschil.
  14. Op commerciële schaal verrichte handelingen zijn handelingen waarmee rechtstreeks of onrechtstreeks economisch of commercieel voordeel wordt beoogd; normaliter sluit dit handelingen van eindgebruikers te goeder trouw uit.
  15. Deze corrigerende maatregelen moeten recht doen aan de belangen van derden, waaronder met name consumenten en private partijen die te goeder trouw handelen.