Betekenis van:
trouw
trouw (de ~)
Zelfstandig naamwoord
- het zich aan beloften houden; trouwheid aan iemand
"trouw aan [iets/iemand]"
"zijn trouw breken"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
trouw
Bijvoeglijk naamwoord
- loyaal; trouw; trouw
"trouwe vrienden"
"trouw je plicht vervullen"
Synoniemen
Hyperoniemen
trouw
Bijvoeglijk naamwoord
- op wie men steeds opnieuw een beroep kan doen
"Hij is een trouwe werknemer voor zijn baas."
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Altijd trouw
- De vertaling is trouw aan het originele.
- Trouw moet worden onderhouden
- De naam van een vriend is gewoon, maar zeldzaam is trouw.
- Goede trouw en misbruik van rechten
- Wat het element te goeder trouw betreft, kunnen de begunstigden niet betogen dat zij te goeder trouw handelden zonder legitieme verwachtingen dat zij de steun zouden krijgen.
- Derden die te goeder trouw handelen, dienen zich op deze vertalingen te kunnen beroepen.
- de aanvrager bij indiening van de aanvrage te kwader trouw was.
- Een andere voorwaarde is dat de rechten van partijen of derden te goeder trouw geëerbiedigd worden.
- Volgens openbare informatie, zoals bijvoorbeeld artikelen in de dagbladen Het Parool (7.7.2006) en Trouw (13.10.2006).
- Voorts bleek dat de ondernemingen hun traditionele handelspatronen met individuele afnemers in de EU10 over het algemeen trouw bleven.
- De Commissie laat zich niet uit over de goede trouw, of anderszins, van de autoriteiten van Gibraltar.
- De partijen overwegen te goeder trouw het voorstel van de verzoeningscommissie voor de regeling van het geschil.
- Op commerciële schaal verrichte handelingen zijn handelingen waarmee rechtstreeks of onrechtstreeks economisch of commercieel voordeel wordt beoogd; normaliter sluit dit handelingen van eindgebruikers te goeder trouw uit.
- Deze corrigerende maatregelen moeten recht doen aan de belangen van derden, waaronder met name consumenten en private partijen die te goeder trouw handelen.