Betekenis van:
uitbreken

uitbreken
Werkwoord
  • met kracht, plotseling naar buiten komen, zich vertonen
"het zweet breekt iemand uit"
"het water breekt uit de dijken"

Hyperoniemen

uitbreken
Werkwoord
  • door braak ontsnappen
"uitbreken uit [een gevangenis]"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

uitbreken
Werkwoord
  • zichzelf bevrijden uit gevangenschap
"De paarden waren uitgebroken uit de stal."
uitbreken
Werkwoord
  • plotseling beginnen van een oorlog, ramp, ziekte e.d
"In 1967 stond de Derde Wereldoorlog op het punt om uit te breken."
uitbreken
Werkwoord
  • het verwijderen van een deel van een gebouw, zoals een muur of een vloer
"Deze muur wordt uitgebroken en er wordt een stuk aangebouwd aan de keuken."
uitbreken
Werkwoord
  • door breken uitbreiden

Hyperoniemen