Betekenis van:
uitjouwen

uitjouwen
Werkwoord
  • honend toeroepen
" De toneelspeler werd door het publiek uitgejouwd."
uitjouwen
Werkwoord
  • scheldwoorden toeroepen; uitkafferen; uitjoelen; uitschelden
"door het publiek uitgejouwd worden"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen