Betekenis van:
vullen

vullen
Werkwoord
  • vol maken
"tanden/kiezen vullen"
"je zakken vullen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

vullen
Werkwoord
  • opvullen
"Ze zaal vult zich met mensen"
"De zak is gevuld met lucht"

Hyperoniemen

vullen
Werkwoord
  • vol maken
"Kun jij die prullenbak even vullen met dat papier daar?"
vullen
Werkwoord
  • opvullen.
"Jij kan je tijd hier wel vullen."

Werkwoord