Betekenis van:
waard

waard
Bijvoeglijk naamwoord
  • als waarde hebbend
"de eerste klap is een daalder waard"
"het sop is de kool niet waard"
waard
Bijvoeglijk naamwoord
  • ''predicatief'': ''~ zijn'' in geld uitdrukbaar zijn
"Dat huis is veel minder waard geworden."
waard
Bijvoeglijk naamwoord
  • ''predicatief'': ''~ zijn'' anders dan financieel zijn belang hebben
"Hij is wel wat beter maar nog steeds niet veel waard."
waard
Bijvoeglijk naamwoord
  • geacht, beste
"Waarde landgenoten!"
waard (de ~ | meervoud waarden)
Zelfstandig naamwoord
  • eigenaar v.e. restaurant; eigenaar v.e. herberg; eigenaar v.e. restaurant; eigenaresse v.d. herberg; eigenaar/uitbater v.e. café
"zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten"
"buiten de waard rekenen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

waard (de ~ | meervoud waarden)
Zelfstandig naamwoord
  • gebied tussen rivieren

Hyperoniemen

waard
Zelfstandig naamwoord
  • de baas van een herberg of van een taveerne
waard
Zelfstandig naamwoord
  • / vlak land in een rivierengebied
waard (de ~ | meervoud waarden)
Zelfstandig naamwoord
  • mannetjeseend; mannetjeseend

Synoniemen

Hyperoniemen

waard (de ~ | meervoud waarden)
Zelfstandig naamwoord
  • tussen dijk en zomerkade van een rivier gelegen grond

Synoniemen

Hyperoniemen