Betekenis van:
weer

weer (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • aantasting, mede door invloed van licht en vochtigheid
"het weer zit in de spiegel/het hout"

Hyperoniemen

weer
Zelfstandig naamwoord
  • gesneden ram of bok

Hyperoniemen

Hyponiemen

weer
Zelfstandig naamwoord
  • de atmosferische omstandigheden
weer
Zelfstandig naamwoord
  • een gesneden geitenbok
weer
Zelfstandig naamwoord
  • bezig zijn (zich te weren): ''in de weer zijn''
weer
Bijwoord
  • nog een keer

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Wat een afschuwelijk weer!
  2. Nu weet ik het weer.
  3. Het is verschrikkelijk weer vandaag.
  4. Ik ben blij je weer te zien.
  5. Hij kwam, ondanks het slechte weer.
  6. Ik kan dit hete weer niet uitstaan.
  7. Het weer van gisteren was vreselijk.
  8. Ah, wanneer ontmoeten ze elkaar weer?
  9. Het koude weer duurde voor drie weken.
  10. Hij kwam twee dagen later weer terug.
  11. Kom niet weer te laat op school.
  12. De bijeenkomst zal gehouden worden, ongeacht het weer.
  13. Je bent gek dat je uitgaat met dit weer.
  14. Het was erg leuk je weer eens gezien te hebben.
  15. Als het weer goed is, bereiken we die plek morgen.