Betekenis van:
weer
weer (het ~)
Zelfstandig naamwoord
- aantasting, mede door invloed van licht en vochtigheid
"het weer zit in de spiegel/het hout"
Hyperoniemen
weer
Zelfstandig naamwoord
- gesneden ram of bok
Hyperoniemen
Hyponiemen
weer
Zelfstandig naamwoord
- de atmosferische omstandigheden
weer
Zelfstandig naamwoord
- een gesneden geitenbok
weer
Zelfstandig naamwoord
- bezig zijn (zich te weren): ''in de weer zijn''
weer
Bijwoord
- nog een keer
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Wat een afschuwelijk weer!
- Nu weet ik het weer.
- Het is verschrikkelijk weer vandaag.
- Ik ben blij je weer te zien.
- Hij kwam, ondanks het slechte weer.
- Ik kan dit hete weer niet uitstaan.
- Het weer van gisteren was vreselijk.
- Ah, wanneer ontmoeten ze elkaar weer?
- Het koude weer duurde voor drie weken.
- Hij kwam twee dagen later weer terug.
- Kom niet weer te laat op school.
- De bijeenkomst zal gehouden worden, ongeacht het weer.
- Je bent gek dat je uitgaat met dit weer.
- Het was erg leuk je weer eens gezien te hebben.
- Als het weer goed is, bereiken we die plek morgen.