Betekenis van:
ram

Ram (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • één v.d. twaalf sterrenbeelden
"onder het teken van de ram"

Synoniemen

Hyperoniemen

ram (de ~ | meervoud rammen)
Zelfstandig naamwoord
  • mannetjesschaap
"rammen en ooien"
"hij is aan een (kwade) ram gekoppeld"

Hyperoniemen

ram
Zelfstandig naamwoord
  • een mannelijk schaap
"Je moet een ram niet verwarren met een ooi!"
ram
Zelfstandig naamwoord
  • een mannelijk schaap
"Je moet een ram niet verwarren met een ooi!"
ram (de ~ | meervoud rammen)
Zelfstandig naamwoord
  • mannetje van het konijn en van de haas
"een ram en een voedster"

Synoniemen

Hyperoniemen

ram (de ~ | meervoud rammen)
Zelfstandig naamwoord
  • grote mast om een muur, deur in te rammen
"De belegeraars beukten met een ram op de stadpoort."

Synoniemen

Hyperoniemen

Ram (de ~ | meervoud Rammen)
Zelfstandig naamwoord
  • iemand geboren onder dit teken

Hyperoniemen

RAM
Zelfstandig naamwoord
  • niet-vast computergeheugen; random access memory van een computer

Synoniemen

Hyperoniemen

ram
Zelfstandig naamwoord
  • harde klap; harde klap; harde klap; harde klap; harde klap; klap; opdonder; harde klap of stoot; harde klap of trap; flinke klap; hard schot; harde klap

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord