Betekenis van:
wig

wig (de ~ | meervoud wiggen)
Zelfstandig naamwoord
  • aan één eind beitelvormig, met twee schuine vlakken toegespitst stuk hout of metaal waarmee men hout splijt of een voorwerp vastklemt
"een wig tussen [mensen]"
"een wig tussen twee mensen drijven"

Hyperoniemen

Hyponiemen

wig
Zelfstandig naamwoord
  • een metalen of houten voorwerp in de vorm van een driehoekig blok met een scherpe hoek van 5 to 20 graden
"Hoe scherper of spitser de wig is, des te sterker de splijtwerking."