Betekenis van:
wil
wil
Zelfstandig naamwoord
- de bereidheid of zin om iets te doen
"De wil was er niet om de straat aan te vegen."
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Wil je iets eten?
- Mary wil lerares worden.
- Ik wil een vriend.
- Ik wil dansen.
- Iedereen wil gelukkig zijn.
- Wil je meekomen?
- Ik wil Korea bezoeken.
- Sawako wil naar Frankrijk.
- Maar ik wil niet.
- Zij wil dansen.
- Ik wil een snoepje.
- Ik wil geen geld.
- Ik wil naar huis.
- Ik wil niet rijden.
- Hij wil het geld.