Betekenis van:
wil

wil (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • menselijk vermogen om iets te doen
"de wil om te [winnen]"
"iemand je wil opleggen"

Hyperoniemen

wil
Zelfstandig naamwoord
  • de bereidheid of zin om iets te doen
"De wil was er niet om de straat aan te vegen."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Wil je iets eten?
  2. Mary wil lerares worden.
  3. Ik wil een vriend.
  4. Ik wil dansen.
  5. Iedereen wil gelukkig zijn.
  6. Wil je meekomen?
  7. Ik wil Korea bezoeken.
  8. Sawako wil naar Frankrijk.
  9. Maar ik wil niet.
  10. Zij wil dansen.
  11. Ik wil een snoepje.
  12. Ik wil geen geld.
  13. Ik wil naar huis.
  14. Ik wil niet rijden.
  15. Hij wil het geld.