Betekenis van:
willen
willen
Werkwoord
- iets als verlangen hebben
"Hij wilde daarover geen uitsluitsel geven."
Voorbeeldzinnen
- Zij willen rijk worden.
- Zou jij naar een balspel willen gaan?
- Ik zou graag een auto willen huren.
- Hij heeft altijd Japans willen leren.
- Ik zou mijn zoon willen zien.
- Wat willen ze dat we doen?
- Niet willen is hetzelfde als hebben.
- Dit is wat we willen weten.
- Ik zou graag drie plaatsen willen reserveren.
- Waar zou je als eerste heen willen?
- We willen blijven wat we zijn.
- Ik zou een koffie willen drinken.
- Ik zou met baar geld willen betalen.
- Ik zou willen opnieuw jong zijn.
- Ik zou graag zulke schoenen willen.