Betekenis van:
zeker

zeker
Bijvoeglijk naamwoord
  • waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
"Het voortbestaan ervan werd door deze overwinning een stuk zekerder."
zeker
Bijvoeglijk naamwoord
  • ''een ~'' een bepaalde, een of andere
"Hij werd door een zekere ziekte daarvan weerhouden."
zeker
Bijvoeglijk naamwoord
  • zonder meer, zonder twijfel
"hij is zeker de dader"
"ergens zeker van zijn"

Synoniemen

zeker
Bijvoeglijk naamwoord
  • geassureerd

Synoniemen

zeker
Bijvoeglijk naamwoord
  • beschermd tegen gevaar
"op zeker spelen"

Synoniemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Dat zal ik zeker doen.
  2. Ga zeker onmiddellijk naar daar.
  3. Mama zal zeker razend zijn.
  4. Dit is zeker de beste manier.
  5. Ge moet zeker tegen zondag klaar zijn.
  6. Ik weet zeker dat ze snel terugkomt.
  7. Ik weet zeker dat hij komt.
  8. Ik weet zeker dat hij naar Tokio is gegaan.
  9. Maandag is zeker niet mijn favoriete dag in de week.
  10. Ik weet niet zeker wanneer hij op komt dagen.
  11. Ik weet zeker dat we veel gemeen hebben.
  12. Ik ben niet zeker wanneer hij terug zal zijn.
  13. Mijn vroegere lerares Engels draait zich nu zeker weten om in haar graf.
  14. Hoe kan je er zeker van zijn dat je vriendin geen orgasme veinst?
  15. Hij is er zeker van dat hij vroeg of laat president wordt.