Betekenis van:
zitplaats

zitplaats (de ~ | meervoud zitplaatsen)
Zelfstandig naamwoord
  • plaats om te zitten
"een bus met veertig zitplaatsen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

zitplaats
Zelfstandig naamwoord
  • een plaats waar men kan zitten
"Dit theater telt driehonderd zitplaatsen."

Voorbeeldzinnen

  1. Zitplaats: …
  2. Middelste zitplaats
  3. Hartlijn van de zitplaats
  4. Informatie over de zitplaats
  5. Bestuurders-zitplaats (aanvullende vereisten)
  6. uitgerust met een zitplaats
  7. Hartlijn van de buitenste zitplaats ( *)
  8. Aantal zitplaatsen (inclusief zitplaats van de bestuurder):
  9. men plaatst het toestel op de zitplaats;
  10. (L = linkerzitplaats, M = middelste zitplaats, R = rechterzitplaats)
  11. Zitplaats zit los of vertoont structurele gebreken.
  12. Aangegeven zitplaats: achteraan, aan de buitenkant
  13. BEPALING VAN HET REFERENTIEPUNT VAN DE ZITPLAATS
  14. Andere gazonmaaimachines, eigen beweegkracht, met zitplaats, vonkontsteking
  15. G = 250 mm bij een afzonderlijke zitplaats