Vertaling van aufhören

Inhoud:

Duits
Nederlands
aufhören {ww.}
ophouden
stoppen 
wijken
uitscheiden
aflaten

ich werde aufhören
du wirst aufhören
er/sie/es wird aufhören

ik zal ophouden
jij zult ophouden
hij/zij/het zal ophouden
» meer vervoegingen van ophouden

Könntest du bitte aufhören zu singen?
Kun je alstublieft ophouden met zingen?
Ich konnte nicht aufhören zu lachen.
Ik kon niet stoppen met lachen.
enden, endigen, aufhören, zu Ende gehen, ein Ende nehmen, ablaufen, auslaufen {ww.}
ophouden
verlopen
uitraken
uitlopen
uitgaan 
eindigen
aflopen 

ich werde aufhören
du wirst aufhören
er/sie/es wird aufhören

ik zal ophouden
jij zult ophouden
hij/zij/het zal ophouden
» meer vervoegingen van ophouden

Stell dir vor, du bekommst einen Schluckauf und kannst nicht aufhören damit.
Stel u voor dat ge begint te hikken en niet meer kunt ophouden.
Endung [v] (die ~), Zuendegehen, Aufhören, Abschluß [m] (der ~), Ausgang [m] (der ~), Ende [o] (das ~) {zn.}
eind 
einde 
end
uiteinde
slot  [o]
eindigen [o]
afloop  [m]
Ende gut, alles gut.
Eind goed, al goed.
Ende gut - alles gut.
Eind goed, al goed.


Voorbeelden in zinsverband

Duits
Nederlands

Sie sollten aufhören zu rauchen.

Ge zoudt moeten stoppen met roken.

Ich konnte nicht aufhören Tom.

Ik kon Tom niet stoppen.

Könntest du bitte aufhören zu singen?

Kun je alstublieft ophouden met zingen?

Ich konnte nicht aufhören zu lachen.

Ik kon niet stoppen met lachen.

Ich wünschte, der Regen würde aufhören.

Ik wou dat de regen ophield.

Ich wünschte, es würde aufhören zu regnen!

Ik wou dat het ophield met regenen.

Du solltest besser mit dem Rauchen aufhören.

Je zou beter stoppen met roken.

Stell dir vor, du bekommst einen Schluckauf und kannst nicht aufhören damit.

Stel u voor dat ge begint te hikken en niet meer kunt ophouden.